Problemen met de Ethernet-connectiviteit oplossen

U kunt problemen met de Ethernet-verbinding opsporen door de statistische gegevens van Ethernet te bekijken. Die gegevens kunt u genereren met de opdracht entstat. Vervolgens kunt u de problemen oplossen met de opdrachten starttrace en stoptrace.

Over deze taak

Ga als volgt te werk bij het oplossen van Ethernet-problemen met de connectiviteit:

Procedure

  1. Controleer of de logische clientpartitie een andere logische clientpartitie op hetzelfde systeem kan pingen zonder gebruik te hoeven maken van de Virtuele I/O-server.
    Als dit mislukt, bevindt het probleem zich waarschijnlijk in de configuratie van het virtuele Ethernet voor de logische clientpartitie. Als de ping-opdracht lukt, gaat u verder met de volgende stap.
  2. Start een ping-opdracht van de logische bronpartitie naar een doelcomputer, zodat de pakketten worden verzonden via de Virtuele I/O-server.
    Deze ping-opdracht zal hoogstwaarschijnlijk mislukken. Ga naar de volgende stap terwijl de ping-opdracht in uitvoering is.
  3. On de Virtuele I/O-server typt u de volgende opdracht:
    entstat –all SEA_adapter
    waarbij SEA_adapter de naam is van uw Gemeenschappelijke Ethernet-adapter.
  4. Controleer of het VLAN-ID waartoe de logische partitie behoort, wordt gekoppeld aan de juiste virtuele adapter in het gedeelte VLAN-ID's van de uitvoer. Bestudeer het gedeelte ETHERNET STATISTICS voor de virtuele adapter voor dit VLAN en controleer of het aantal pakketten onder de kolom Receive statistics toeneemt.

    Hiermee verifieert u of de pakketten door de Virtuele I/O-server worden ontvangen via de juiste adapter. Als de pakketten niet worden ontvangen, heeft het probleem waarschijnlijk te maken met de configuratie van de virtuele adapter. Controleer de VLAN-ID-gegevens van de adapters met behulp van de Hardware Management Console (HMC).

  5. Bestudeer het gedeelte ETHERNET STATISTICS voor de fysieke adapter voor dit VLAN en controleer of het aantal pakketten onder de kolom Transmit statistics toeneemt.
    Hiermee verifieert u of de pakketten worden uitgestuurd door de Virtuele I/O-server.
    • Als dit aantal toeneemt, worden de pakketten vanuit de fysieke adapter verstuurd. Ga verder met stap 6.
    • Als dit aantal niet toeneemt, betekent dit dat de pakketten de fysieke adapter niet verlaten en dat voor verdere foutopsporing de traceerfunctie van het systeem nodig is. Volg de instructies bij stap 9 voor het verzamelen van een systeemtracering, statistische informatie en de configuratiebeschrijving. Neem contact op met service en ondersteuning als u nog meer fouten wilt opsporen.
  6. Controleer of het externe doelsysteem (aan de fysieke zijde van de Virtuele I/O-server) pakketten ontvangt en antwoorden verzendt.
    Als dit niet gebeurt, is de verkeerde fysieke adapter gekoppeld aan de Gemeenschappelijke Ethernet-adapter of is de Ethernet-switch mogelijk onjuist geconfigureerd.
  7. Bestudeer het gedeelte ETHERNET STATISTICS voor de fysieke adapter voor dit VLAN en controleer of het aantal pakketten onder de kolom Receive statistics toeneemt.
    Met deze stap controleert u of de ping-antwoorden worden ontvangen door de Virtuele I/O-server.
    Als het aantal niet toeneemt, is de switch mogelijk onjuist geconfigureerd.
  8. Bestudeer het gedeelte ETHERNET STATISTICS voor de virtuele adapter voor dit VLAN en controleer of het aantal pakketten onder de kolom Transmit statistics toeneemt.
    Met deze stap verifieert u dat het pakket door de Virtuele I/O-server is verzonden via de correcte virtuele adapter.
    Als het aantal niet toeneemt, moet u de traceerfunctie van het systeem starten. Volg de instructies bij stap 9 voor het verzamelen van een systeemtracering, statistische informatie en de configuratiebeschrijving. Werk samen met service en ondersteuning om het probleem verder op te lossen.
  9. Gebruik de traceerfunctie van de Virtuele I/O-server voor het oplossen van problemen met de connectiviteit.
    Start een systeemtracering met de opdracht starttrace en geef hierbij het ID van de tracerings-hook op. Het ID van de tracerings-hook voor de Gemeenschappelijke Ethernet-adapter is 48F. Gebruik de opdracht stoptrace om de tracering te stoppen. Gebruik de opdracht cattracerpt om het traceerlogboek te lezen, de traceergegevens in te delen en een rapport naar standaarduitvoer te schrijven.